Hatsikidee
Ceci n'est pas une blog
Ook juist !
Deze scroller zorgt ervoor dat hier een tekst van rechts naar links scrolt -- moest deze tekst niet van rechts naar link scrollen maar stilstaan was het gewoon een stilstaande tekst en geen scroller.
Navigatie
Es geht voruber - deel II
Bekijk meer van deze categorie Es geht voruber - deel II
Artikel: Jef Horemans

8 Mei.
Er werd door de Russen en andere "displaced persons" een feest georganiseerd. Polen en Ostarbeiters zongen en dansten dat het een lieve lust was. Hoe ze zo vlug die verschillende koren en dansgroepen bijeen gekregen hadden begrepen we niet. De uitvoeringen waren fantastisch. Het leken wel beroepsartiesten, maar aan hun povere plunje kon je zien dat ze ook reeds een hele tijd van huis waren.
De volgende dagen trachten we zoek te brengen met wandelen, in het bos, naast de kazerne, slenteren door het dorp en staan kijken naar een M.P. die aan het kruispunt het militair verkeer stond te regelen.Op stille momenten kwam hij met ons een babbeltje slaan en bood ons dan meestal een sigaret aan. We hadden het dan over, wat dacht je, natuurlijk over naar huis gaan.
Hij had het zo hard te pakken als wij en verlangde evenzeer naar de zinnen. In het kamp maakten we de capriolen mee van sommige Russen, meest Siberi?rs, die in het dorp een paar fietsen buit gemaakt hadden en probeerden te rijden. Zoals met leren lopen was het hier dus ook een kwestie van vallen en opstaan. Als er dan een het klaar kreeg, om een stuk te fietsen en de toer rond het plein gemaakt had, werd hij op applaus onthaald net of hij had de ronde van Frankrijk gewonnen.

16 Mei.
Een lichtpunt, de Belgen werden geteld.


17 Mei.
Met een colonne camions vertrokken er 500 krijgsgevangenen. Er kwam schot in de zaak. De wagens waren net buiten of er kwam er een door de poort. Een Hollandse legerdokter vroeg ons of we wilden helpen afladen, in het vooruitzicht weer een paar sigaretten te verdienen sprong er een jongen op de wagen, ik zette me klaar om te helpen. Het achterzeil ging de hoogte in, ik stak mijn armen uit om iets van de lading aan te nemen en stond als door de bliksem getroffen, toen er een jonge vrouw voorzichtig in mijn armen gelegd werd. Toen ze haar arm om mijn hals legde, voelde ik de koude rillingen over mijn rug lopen. Ik stond met een van de bewijzen van de Deutsche Kultur" in mijn armen. Het was een meisje dat men ergens meer dood dan levend in een concentratiekamp gevonden had. Een paar andere jongens schoten ter hulp, want er waren nog een stuk of vijf van die sukkelaars. In een schuur van de kazerne werden ze ondergebracht. De dokter vroeg ons, of we de meisjes wilden verzorgen, en in de gaten houden tot ze weer verder vervoerd konden worden.
Vlug werden er balen stro uiteen getrokken, en van andere tochtschermen gemaakt om voor de meisjes een slaapplaats te maken. Engelse militairen kwamen ons helpen en brachten voedsel, melk, chocolade, dozen vlees, sigaretten en allerlei dingen waar de jodinnetjes, want dat bleken het te zijn, niets aan hadden. Van de dokter kregen we strenge voorschriften wat hun eten betrof uit de keuken zou dieet voeding gebracht worden en zelfs daarmee hadden de gevangenen soms last.
Ze konden haast geen voedsel verdragen, niet op hun benen Stam, en lagen maar dankbaar te lachen tegen al die mannen die zich uitsloofden om maar iets te kunnen doen om het hun zo aangenaam mogelijk te maken, na al die ellende die ze beleefd hadden in kampen als Bergen-Belzen, Dachau en verschillende andere
De giften van de Britten werden in dank aanvaard en met hetgeen de meisjes niet mochten of konden eten wisten wij, hun verzorgers, wel raad. De ganse dag en volgende nacht bleven wij in de schuur om onze rol van verpleger verder te spelen.

18 mei.
Een colonne met 100 Hollanders vertrok.

20 mei.
We verzorgden de meisjes alsof het onze kinderen waren. In onze schuur hadden we met balen stro een badkamer ingericht, want een paar tommy's" hadden reeds de eerste dag voor een ligbad gezorgd. Gewoon ergens in het dorp georganiseerd en naar ons gebracht. Die dagen gingen vlug voorbij, we hadden met onze pati?nten onze bezigheid. Voor eten zorgen en verder naar het bad of wc brengen. De laatste dag waren er een paar die terug konden rechtstaan en zelfs een klein stukje wandelen, met onze hulp natuurlijk. Op een avond toen de dokter zijn dagelijks bezoek bracht, vertelde bij ons dat de meisjes de volgende dag zouden vertrekken. Die toonden ons hun dankbaarheid door de arts te vragen of wij niet mee mochten, dan konden wij hen onderweg blijven bijstaan. Maar daar trapte de dokter niet in, ze zouden verder naar een hospitaal gebracht worden in Holland. Dus we waren niet meer nodig en moesten in Soltau blijven.

21 mei.
Het afscheid was droevig, de meisjes vertrokken met verschillende vrachtwagens die alleen vrouwen en kinderen meenamen.

22 mei.
Er was toch beweging gekomen, er gingen meer dan 300 krijgsgevangen weg.

23 mei.
De dag der dagen, eindelijk konden wij ook verder, een colonne Engelse camions kwam het kamp ingereden. Gelukkig voor ons, scheen er geen einde te komen aan de rij, tientallen... nee, honderden vrachtwagens, nog nooit gezien, zoveel. Heel het kamp in een keer leeg. Op de weg, vooruit en achteruit zover je zien kon, we dachten dat het hele Engelse wagenpark er was. Na de middag kwamen we aan in Solingen, daar was bij een spoorwegenplacement, een groot tentenkamp opgericht. We kregen te eten en konden ons fatsoenlijk wassen.

24 mei.
We mochten met de trein slechts ??n valies en een rugzak meenemen, ??n koffer moest ik dus leegmaken en achterlaten. Ik gaf ze aan een Franse krijgsgevangenen, vond het beter dan ze op de grote brandstapel te gooien.

25 mei.
Heel de dag en nacht ging het verder met de trein, door geteisterde steden, vernielde stations over pontonbruggen, omdat de oorspronkelijke nog in de rivier lagen. Het was een heldere nacht, we zagen wat een verwoesting er aangericht was, het was een aaneenschakeling van puin, uitgebrande gebouwen, plat gesmeten huizen en verlaten straten, omdat er geen enkel bewoonbaar huis meer stond. Dat was dus wat de Duitsers aan hun krieg (die ze totaal wilden) hadden overgehouden. Onze trein moest dikwijls stoppen en wachten om andere militaire transporten door te laten. Vooral aan noodbruggen was het een drukte van belang. Ten laatste kwamen we aan in Kleve, waar we moesten overnachten in tenten.

26 mei.
We moesten wachten en konden uitrusten al waren we liever meteen verder gegaan. Wat werd er in het kamp een onzin verteld, over vertrekuren, uitstel, doktersonderzoek voor we verder mochten, afijn te veel om op te noemen, en het was totaal, larie, onzin, nonsens want geen mens wist er iets. Tot op...

27 mei.
De verschillende nationaliteiten werden geteld en bij elkaar gebracht.
's Middags was het zo ver, weer een trein op, alle soorten wagons behalve voor reizigers, hoofdzaak er stonden wielen onder, het ging over Hollands Limburg richting Belgi?. Het duurde nog tot 's avonds 10 uur voor we in Herenthals aankwamen. In optocht trokken we naar een opvangcentrum, we dachten vriendelijk onthaald te worden, door de mensen die langs de weg naar ons stonden te kijken. Maar we hoorden een paar maal zulke uitlatingen als "hoe veel zwarten zouden ze er hier weer uithalen". Dat klonk ons vreemd in de oren en deed pijn, dat was niet de verwelkoming die we verwacht hadden. In de school kregen we wit brood en een bol echte koffie, wat een feest. Toen de pret voorbij was moesten we naar een soort ontluizing, met een flitspuit-meneer. De D.D.T. vloog er langs onze broekspijpen weer uit. Voor verdere formaliteiten was het te laat geworden, we legden ons dan op een van de bedden die in een grote zaal stonden opgesteld. Hoed af voor die mensen die zich in Herenthals met ons bezig hielden, niettegenstaande het na middernacht was toen ze stopten, begonnen die dapperen reeds om vijf uur terug. Voor ons geen probleem natuurlijk.

28 mei.
Weer moesten we aanschuiven voor een pascontrole, er werd in dikke bundels gekeken of we geen nazi's waren, we werden door een dokter vluchtig onderzocht, we kregen papieren om later ons Duits geld te kunnen uitwisselen en tenslotte, juicht Belgen juicht, een reiskaartje tot Deurne. Toen ik de poort van de school uitstapte zag ik iets verder een tram stam en hoorde dat er gebeld werd. Dat werden de honderd meter van mijn leven, met koffer en rugzak nam ik een spurt en kreeg ik de tram nog net te pakken. In Oostmalle moest ik even wachten op een buurtspoorweg die van Turnhout kwam.

Op de aanhangwagen liet ik me om mijn valies zakken, ik was moe, nu voelde ik eerst al die spanningen van de afgelopen weken, het jachten en het zenuwachtige gedoe, ik was geen cent meer waard. Een man die naar me keek, had het in de gaten en bood me zonder een woord te zeggen een sigaret aan. Terwijl we samen rookten, kwamen dan toch de onvermijdelijke vragen.
Waar kom je vandaan, is er veel plat gegooid, waren er veel doden en al die dingen meer. Beleefdheidshalve beantwoordde ik de nieuwsgierige maar was er toch niet met volle aandacht bij. Er gingen me andere dingen door het hoofd, daar op het platvorm begon ik goed te beseffen dat ik de mijnen zou terug zien, en vlug. Iedere minuut kwam ik er dichterbij, ik begon mezelf vragen te stellen, waren ze gezond hoe zouden ze reageren als ze me zagen, hoe zouden ze eruit zien, ik dacht van alles en nog wat. Het enige waar ik niet aan dacht, was hoe ik eruit zag en dat was alles behalve schitterend. Eindelijk stopte de tram aan het gemeentehuis (nu het Vredegerecht) van Deurne. Met koffers en rugzak stapte ik de straat in.
Aan de bocht van de kerk, keek ik eerst naar beide zijden van de Lakborslei en zo te zien waren er geen huizen beschadigd. Gerust gesteld ging ik verder toen een honderdtal meter van ons huis, een vrouw me aansprak, ze stelde me voor, wat te wachten terwijl zij thuis zou gaan verwittigen dat ik eraan kwam. Ik zag hoe ze aanbelde en in mijn richting wees. Vader, moeder en Jetje kwamen aangelopen en opeens liep mijn vrouwtje terug. Ik dacht, er is iets met de kleine en dan kwam ze terug met ons kindje op de arm. Dat weerzien was niet eenvoudig, we wisten niet goed wat we moesten doen, lachen of huilen van blijdschap we wilden vragen stellen, allen door elkaar. Het mooiste was dat ik mijn vrouw en dochtertje vast kon pakken en knuffelen.
Toen ik vertrok was ons kindje 3 weken oud en ik was pas een week thuis en ze werd twee jaar.

Ostarbeiterlager
In Blummenthal bracht men ons eten van de werf, dat gebeurde met een accuwagentje. Het was een in onze ogen, een oude man die met de thermosketels kwam. Volgens het aantal personen had hij zoveel rantsoenen "eintopfessen" bij. Hij stopte voor onze kamer en we moesten met onze schotel aanschuiven, tegen dat de laatste bediend werden hadden de eersten hun prakkie al op en schoven terug aan. Resultaat, dat ventje had niet genoeg eten bij. De volgende dag moesten we binnen blijven en onze schotels aangeven door de venster. Waar ze vandaan kwamen weet ik niet, maar ik geloof dat alleman twee schotels aanreikte. Die sukkelaar had weer niet genoeg bij. 's Anderendaags had hij een briefje bij met het aantal bewoners van iedere kamer en zoveel porties deelde hij uit. Toen hij verder reed zei hij, nu is het juist en lachte triomfantelijk. Eindelijk had hij ons door.

De Duitse groet.
Op een zondag ging ik met een paar jongens in de dorpskroeg een pintje drinken. Er zaten een paar klanten en de baas stond glazen af te wassen. We groeten gewoon met een goede middag, zette ons aan een tafeltje en bestelden bier. De waard bekeek ons eens en deed gewoon verder. We dachten die vent heeft het niet gehoord en vroegen voor de tweede maal "bier bitte" en toen zei hij: een Duitser groet "Heil Hitler". Waarop wij antwoorden dat we slechts auslander waren en verlieten de zaak, nagestaard door de Pruisen aan de "astmatisch".


De bunker op de Vulkanwerke heden ten dagen.

Een babbeltje.
Het was in de werkplaats op de Vulcanwerke, de gewoonte om 's morgens iedereen te groeten en een hand te geven. De verhouding, Duitsers - vreemden was niet slecht. Op een dag moest ik met een elektrieker mee op de werf om een paar lasposten te herstellen. Er werd gebabbeld er werden vragen gesteld, waar ik vandaan kwam of ik getrouwd was, alles heel gemoedelijk, dan over de oorlog en politiek. Nu is het ??n van mijn fouten, als er iets op mijne lever ligt moet het eraf Ik zei tegen mijn collega wat ik dacht van de toestand, dat ik tegen mijn zin in Duitsland was en niet vrijwillig, omdat ik in Antwerpen werk had en een vrouw en kindje, dat ik amper gezien had, had moeten achterlaten en dat het mijn oorlog niet was. De man was onder de indruk, hij geloofde namelijk dat wij allen gekomen waren om zijn land te helpen de oorlog te winnen. Om kort te zijn ik had meer gezegd dan eigenlijk nodig of goed was. We werkten gewoon verder zonder nog veel te vertellen. 's Anderendaags kom ik in de werkplaats en de man in kwestie is er niet. Misschien verlof of ziek dacht ik. Ja... dag Jan, rond tien uur komt hij binnen in S.A.-uniform. Mijn hart was nog een boontje groot, ik zag me al "eingespert" worden, ik moet een kleur gehad hebben als een opgewarmd lijk. Hij komt bij mij geeft me de hand en zei, "Jozef dat gesprek gisteren was in vertrouwen tussen ons beide". Je ziet al de nazi's waren geen varkens. Ik was later toch veel voorzichtiger in mijn uitlatingen, ??n keer in de rats was voor mij meer dan genoeg.


Neugraben

Naar de baustelle - Neugraben.
Na die grote aanval op Hamburg, waren veel werklieden van Howaldt geteisterd, woningen vernield en alles kwijt. Om die mensen te helpen zouden er in Neugraben noodwoningen gebouwd worden. Door personeel te kort van de bouwfirma, moesten de werf en andere fabrieken arbeiders afstaan. Vader Horemans was er natuurlijk bij. Gelukkig, want Neugraben ligt zo ongeveer 15 km van Hamburg, dus veel veiliger, midden in de heide en bossen. Lager Falkenberg, lag naast de 70 meter hoge berg van die naam, en was voor de oorlog een kamp van de Rijks Arbeidersdienst.
Ik heb op de bouwplaats betonnen palen geplant, beton gestort, elektrieker gespeeld, ('t was geen succes) betonnen platen geplaatst, schoorsteen elementen gezet, metserdiender geweest en ten slotte was ik leerling metser.
Om die noodwoningen te bouwen werd er eerst een ring gestort in beton. Er waren gaten in voorzien om betonpalen in te plaatsen waar tussen platen kwamen die zo de buitenmuur vormden. Die palen werden vastgezet met houten spie?n, dan werd het gat verder gevuld met lopende cement en later de keggen eruit gehaald en alles dicht gesmeerd. Het eerste wat men ons leerde was dus de buitenmuur plaatsen.
De Duitse meester zei tegen mij, we stonden er zeker met tien man, "du lange" ik had het aan mijn fles, ik moest een zak cement halen uit een keet een tiental meter verder. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, gingen er een paar kamergenoten mee, Cees, Arie en Bram. Hoe draag je nu een zak met zen vieren.
Eenvoudig je breekt van een plank twee stukken van bijna een meter, legt ze naast elkaar en leg daar de zak op, we konden dus ieder een kant vastpakken. Herr Meyer de baas ?kreeg bijna een appelflauwte toen hij ons zag komen met het lijk, begon te vloeken en te schelden en wij kregen onze eerste les in lelijke woorden van hem. Met een kop als een tomaat, nam hij ons mee naar de barak, om ons te tonen, hoe ge een zak cement moet dragen. Hij pakte een zak -zes hoog op de stapel- en draaide hem op zijn schouder, niet lettend op het stof dat overal tussen lag. Je moet namelijk weten dat er op iedere zak, of hij nu boven of in 't midden van de stapel ligt, pulver cement te vinden is. Onze baas hing dus aan ??n kant vol. Ja, zei Arie van die hoogte kan ik het ook, maar die daar en hij wees op een zak die op de grond lag. Vloekend pakte die stomme Pruis dat baaltje beet en weer verdween hij in een wolk pulver. Nu voelde ik me verplicht om ook een duit in het zakje te doen, en vroeg Meyer hoe ik dat moest doen.Woedend keek hij me aan en vroeg me waarom ik dat niet kon, en met een uitgestreken gezicht zei ik dat ik links was. Hij had die baaltjes namelijk op zijn rechterschouder geploft en geloof me of niet dat specimen van "das Herrenvolk" nam een zak van de stapel en sloeg hem op zijn linkerschouder. Dus beide oren vol cement. Wij stonden met vieren zowat in ons broek te doen en hadden de grootste moeite om ernstig te blijven. Die grote dikke Meyer begreep niet dat we gewoon met zijn voeten stonden te spelen. Toen we later in de kamer de andere jongens vertelden wat er gebeurd was, werd er hartelijk om gelachen. Aan die grap hebben we later nog veel plezier beleefd.

Onze kamer.
Ik lag als enige Belg bij veertien Nederlanders, uit Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Groningen en Drente. Als die gasten zich verveelden, begonnen ze een spelletje Belgje pesten. Dat begon dan als volgt, een riep opeens tien en dan vielen de anderen in, ze doelden dan op een voetbalmatch, die door de Belgen met bijna 10 doelpunten verloren werd tegen de Hollanders. Ik repliceerde dan met onze wielrenners want die waren die tijd de besten ter wereld, en vond dat voetbal een goedkope, dus typisch Hollandse sport was, met 22 man achter ??n bal hollen. Maar die ene Belg werd natuurlijk overroepen door de rest van de kamer. Dat pesten gebeurde af en toe, en was niet boosaardig bedoeld, ze deden het gewoon uit verveling. Op een keer waren ze weer bezig en twee Hollanders uit de kamer naast de onze, kwamen buurten en hadden het lef om ook tegen mij te beginnen. Het werd plots even stil en de twee buren werden gewoon met klikken en klakken onze kamer uitgesmeten. Waar haalden die het uit om hun Belg te komen plagen, dat was alleen hun recht, zo ging dat, ieder in zijn eigen huishouden.

De kennismaking.
Onze eerste dag op de baustelle begon op een speciale manier. We kwamen met de hele ploeg van Howaldt over de brede weg die dwars door het hele terrein liep. Tot onze grote verbazing zagen we een Italiaan op zijn knie?n zitten en een Duitse soldaat sloeg en stampte hem als bezeten. De gevangene zat als een kind te jammeren en te huilen. We moesten een paar van onze jongens, die wilden ingrijpen, in toom houden.
Dat zou gevaarlijk kunnen zijn met al die militairen. Wat was er nu gebeurd, iedere schildwacht was verantwoordelijk voor een paar van die "Badoglio" mannen, die her en der in de huisjes werkten. De Duitser in kwestie wou zijn Italianen tellen, hij zag in de verte zijn officier aankomen, er mankeerde er ййn en vroeg aan de andere waar zijn maat was. Die deed of hij hem niet verstond. Dat was genoeg om woedend te worden en reageerde dat af op de sukkelaar. Die Italianen waren militair ge?nterneerden na de overgave van Italie.Dus gehaat en verfoeid door de Duitsers, waren ook zo goed als vogelvrij verklaard, hadden het zeer hard te verduren en werden behandeld als honden.

Italianen.
Eens zag ik in een huisje een paar ?Itakkers?, zoals de Duitsers, ze soms noemden, bezig een lotgenoot te verzorgen. Die man was op plundertocht gegaan bij een boer in de buurt, om wat eten te organiseren en was door deze laatste met een lading schroot ontvangen. Nu zaten zijn vrienden de kogelbolletjes uit zijn rug en lager nog te plukken. Het leek wel een rauwe biefstuk. En bloedde als de pest.Een andere keer bemerkte ik een gevangene die een vogeltje zat te plukken. Het beestje was zeker niet groter dan een merel. Ik dacht dadelijk een vuurtje en de buit aan 't spit. Toen ik even later terug voorbijkwam zat hij gewoon dat vogeltje rauw op te eten. Of die gasten honger hadden?
Toen de rij Italiaanse gevangenen ons op een dag voorbij ging, wierp een jongen uit ons lager een halve sigaret tussen de colonne, een Italiaan bukte zich om ze op te rapen en een Duits soldaat trapte hem op de hand en draaide nog even met zijn spijkerlaars. Wat moet dat voor een sadist geweest zijn.

Beton storten.
Ik heb een hele tijd in de betonploeg gestaan. We waren bezig de vloeren van de huizen te storten. Van de grote betonmolen lagen er rails naar de verschillende woningen en om een hoek van 90 graden te maken lagen er ronde schijven waar we de kipwagentjes op reden en draaiend de hoek omkonden. We hadden maar een BeIg (ik), verschillende Hollanders en een handvol Italiaanse ge?nterneerden in de ploeg. Aan de molen werd onze deccaville -zo noemt men die karretjes- gevuld en met een paar mensen duwden we ze voort. Aan de hoeken mochten we onze wagonnetjes niet te ver duwen of het bolde de schijf af en moesten we de hele zwik optillen en er terug opzetten. Dat was geen pretje want alleen de kar was al loodzwaar en dan nog de beton.. Voor ons reden een paar Italianen, was het nu om ons te pesten, wie weet het. Ze duwden een paar maal hun kipkarretje te ver en kregen het zogezegd niet op de schijf getild. Ze deden gewoon geen moeite, met een paar man deden we dat dan voor hen.
Nu was er toch een gevangene zo stom om te grijnzen, terwijl wij dat helwerk deden. E?n van onze Groningers (Jan) kreeg het op zijn heupen en vertelde in zijn dialect dat het spelletje moest gedaan zijn of... en hij liet zijn hand zien, 't leek wel een kolenschop. De volgende rit, wij achter die plezante mannen met ons vrachtje, en die rijden weer te ver.
Een van de Badoglio-mannen schiet in een lach terwijl hij ons bekijkt, Jan vliegt er naar toe en geeft hem met het plat van zijn hand een draai om zijn oren dat de Italiaan een stuk achteruit vloog en neer stortte. We dachten eerst dat hij K.O. lag maar hij krabbelde terug recht en begon aan het wagentje te tillen geholpen door zijn vrienden, zette het terug op de schijf en reden verder. Geen enkel deccavilletje reden ze nog te ver.

Te laat komen.
Als onze dagtaak erop zat moesten we onze etenskaart van het lager terug halen bij meester Eklert, die zette er een stempel op als we gewerkt hadden, zonder stempel....-niks essen-.
We verzamelden ons aan de keet waar hij zijn bureeltje had. Die dag voor hij onze etenskaarten uitdeelde kloeg hij erover dat er zoveel jongens 's morgens te laat kwamen en vroeg of dat in Holland de gewoonte was.?We hebben hier geen wekker? zei een van de jongens, "hebben jullie thuis dan allemaal een klok naast je bed staan?" vroeg de baas. Nu antwoordde een ander, "thuis wekt moeder ons". Eklert gaf onze kaarten zonder nog iets te zeggen.
's Anderendaags, het werd stilaan tijd om op te staan, werd er op de deur van onze kamer gebonsd en komt er iemand binnen die brult: "reise. . reise, aufstehen, da liegen die junge leute wie tot auf ihre bette" en verdwijnt weer, de deur met een smak dichttrekkend. Ons baasje had zijn jongens komen wekken en bleef het nog een hele tijd volhouden ook, tot men zijn fiets eens scherp zette; aan de achteras was een verlengstukje geschroefd waar hij zijn rechtervoet op zette, het stuur vastpakte even trottinette en over het achterwiel zo op zijn fiets kroop. Er had iemand, die eens door Eklert gestraft was en een paar dagen geen stempel gekregen had, dat opstapje los gevezen. De baas kwam ons niet meer wekken en liet zijn fiets nooit meer onbewaakt staan.

Pakjes van thuis.
Een pakje van thuis kwam aan met "Zollambt" in Hamburg en die stuurden een verwittiging dat we het mochten komen halen. Dus een dag uitgetrokken om naar de stad te gaan en dan naar Eklert met het kaartje om een stempel te halen. Nu had men van het werk hoogstwaarschijnlijk gereclameerd bij de douanen dat we om een pakje bij hen te komen halen een dag moesten verletten. Resultaat, we kregen alles naar het lager gestuurd, zelfs het kaartje was erbij, dat was dus goed voor een dag verlof, want we hadden zogezegd naar Hamburg geweest. Kaartje = stempel = eten. Na een tijdje weer een verandering, we kregen ons pakje... maar geen kaartje meer en we wilden een dag blauw maken (niet werken) wat nu gezongen.
Ik naar de meester en vertelde dat ik weer naar Zollambt geweest was, hij vroeg natuurlijk een bewijs. Met een uitgestreken gezicht begon ik in mijn portefeuille te zoeken, ik kon dan nog altijd zeggen dat ik het verloren was. Vind ik tot mijn grote verbazing toch een tolbewijsje zeker. Dat was natuurlijk een oud, Eklert bekijkt het geval ziet er een datum van drie maanden geleden opstaan.
"He", zegt hij "dat klopt niet, kijk zelf maar", ik neem het in de hand keek naar de dagstempel, is dat toch een stempel van Antwerpen zeker, dag van afgifte Zonder een spier te vertrekken zei ik, nu kan je eens zien hoe lang die spullen onderweg zijn. "Ja", antwoordde de baas, "het is oorlog h? jongen". Ik kreeg mijn afstempeling en moest maken dat ik een eind weg was om het niet te schateren van de pret. Tussen haakjes, die pakketjes waren tussen de zeven en veertien dagen onderweg. Als we wat van huis kregen was het voor ons een feestdag We zaten dan als kleine kinderen al dat moois te bekijken. We beseften dan hoeveel men van ons hield en zaten dan soms stilletjes op ons bed te snikken. Mensen, mensen wat een ellendige tijd.

Het was weer eens Sinterklaas geweest. Ons Jetje had zich weer een opoffering opgelegd, en een pakje gestuurd, dit maal was het recht naar het lager gekomen. Zoals gewoonlijk sokken of ondergoed, havermout, bruine bonen en tabak, twee soorten. Ons vrouwtje had weer haar best gedaan, ze had het zelf niet te breed.
Er waren een paar pakjes lichte Gloria en de rest, zelf geplante tabak, zeer zware en zo zwart als steenkolen. Nu was het in onze kamer de gewoonte, als er iemand wat van thuis kreeg hij de jongens liet mee genieten met een snoepje een stuk gebak of een sigaret. Ik had dadelijk gezien dat die donkere tabak niet alleen te roken was, daarvoor was die lichte erbij om te mengen. Ik legde de twee soorten op de tafel en nodigde de mannen uit een sigaretje te rollen. Men pakten natuurlijk naar die zware, dat was een welgekomen afwisseling met die lichte Duitse sigaretten die ons lagerrantsoen uitmaakte. Ik zweeg als een graf en zat stilletjes te genieten. Met glunderende gezichten stonden mijn Hollandse vrienden te paffen, na een paar trekjes begon de ??n na de andere anders uit zijn ogen te kijken, van kleur te veranderen en in een hoek te kruipen. Ik geloof zelfs dat er een paar naar buiten liepen. Ze hadden maar moeten mengen en voor mij was het een kleine revanche voor hun tien, tien.De volgende dag kwamen Kees en ik op het werk waar onze Italiaan reeds stond te wachten. We waren toen bezig de betonplaten te plaatsen die dan later nog bekleed werden met allerlei isolatiemateriaal en zo de buitenmuren werden. Ik wou Aldo een sigaretje laten draaien en verwittigde hem voor de te zware tabak en zegde hem te mengen. "Och Joseppe" zei bij, "tabacco forte benne" en sloeg zich daarbij op de borst, hij moet het dan maar zelf weten.
Even later, hij had een paar maal ingehaald, pakte hij een paal beet, hij sloeg er zijn arm rond en Cees en ik zagen onze vriend langzaam achteruit draaien, rond de paal en zachtjes door zijn knie?n gaan tot hij helemaal op zijn achterste zat. We hebben hem dan maar een poosje laten zitten, hij zag zo bleek als een lijk van de tabacco forte. Toen hij even later recht kwam, glimlachte hij even, haalde zijn schouders eens op en kwam ons weer helpen met de platen.


Voorbijgangers.
Met Aldo Pisani een Milanees, een Kees Vandenberg een Rotterdammer, heb ik een hele tijd, die betonplaten geplaatst. We konden goed met elkaar opschieten en werkten plezierig samen.
Op een zonnige dag, we waren weer druk bezig, dan ging de dag goed voorbij, kwam er een Belgische krijgsgevangene, begeleid door een Duits militair aangewandeld in onze richting. Aldo wees ons erop dat het een aalmoezenier was, te zien aan een kruisje op zijn kraag.
Toen de twee ons voorbij gingen, keek de Belg ons aan en onze Italiaan ging in houding staan en salueerde, waarom we het deden Kees en ik, weet ik niet, maar we namen onze pet af , de aalmoezenier groette terug en lachte ons toe; bij was negen van de tien keer reeds een paarjaar in gevangenschap. Iets verder gewandeld nam bij iets uit zijne zak en liet het vallen,, zonder dat die mof het gezien had. We gaven Aldo een teken; die schoot naar het bosje struiken en kwam terug met een pakje Vega, dat waren Belgische sigaretten. We keken elkaar verwonderd aan en verdeelden de vangst.
Een andere keer, we hadden twee Italianen bijgekregen, omdat de dubbele woning waar we aan bezig waren die dag moest klaar zijn, kwam er een oud vrouwtje voorbij gewandeld, ze keek schichtig rond en als ze ter hoogte van ons kwam, zette ze twee papieren draagtassen op de grond en ging snel verder. Onze Italiaan erop af en kwam terug met in de ene tas appeltjes en in de andere hompen brood van zwart tot wit en alle soorten daartussen. Dat moest dus onder ons vijf verdeeld worden, Kees en ik besloten geen brood te nemen, als we de appeltjes kregen. Daar waren de gevangenen mee akkoord, dat brood was vlug in drie hoopjes gelegd. Maar, ze hadden nog gelijk ook, die twee nieuwelingen vonden dat onze Italiaan meer had dan zij en zegden dat het niet juist was.
We gingen dan maar opnieuw verdelen, maar kees en ik wilden nu ook brood hebben en ook het fruit in vijf delen. Na veel gepalaver en meten was eindelijk iedereen ervan overtuigd dat de buit eerlijk verdeeld was. Toen stelde ik Aldo voor om zijn appeltjes te verwisselen met mijn brood, Kees vond dat een goed idee. Even pruttelde onze vriend tegen, bij wou zijn appels zo verdelen tussen ons beiden. Daar gingen wij niet op in en de ruil ging toch door. Nu had Aldo driemaal zoveel brood als de anderen, die ons woedend aankeken, en af en toe vloekend verder werkten.
Onze Italiaan stopte vlug het brood in zijn zakken; bij was wel een beetje gegeneerd, maar 't ging toch vlug over. Het was van mij niet wat je een eerlijke verdeling noemt maar Aldo werkte al een paar weken met ons samen en de twee anderen zagen we voor de eerste keer, vandaar.

Onenigheid.
Een andere dag kwam onze baas weer met twee nieuwe gevangenen bij ons, die moesten ons komen belpen. Wij drie?n, Kees Aldo en ik waren de specialisten platen zetten geloof ik, we schoten dus met zijn vijven in gang. Dat was niet naar de zin van een Italiaans officier, die naar ons kwam, toen Kuhlmorgen juist weg was, om te reclameren. Hij had voor die twee ander werk. Hij zette zich voor mijn in zijn fijn afgeborsteld uniform, glimmende laarzen en ging tekeer mensen, die dacht dat hij tegen een hond bezig was. Hij brulde dat horen en zien verging en deze jongen riep zo hard terug dat hij ervan schrok. Ik liet me door een Itakker toch niet overdonderen zeker. 't Was in 't Duits te doen met een paar Italiaanse scheidwoorden ertussen door.Die had ik op die paar maanden door met de gevangenen samen te werken ook geleerd, met zoveel als hij maar ze kwamen bij hem toch goed over, aan zijn gezicht te zien tenminste.
Opeens hief hij zijn hand op om me een draai om de oren te geven. Kees, Aldo en de anderen twee stonden verbaasd te kijken, hoe wij als twee kemphanen tegenover eLkaar stonden. Toen ik hem zag dreigen, greep ik een schop, ik weet niet hoe ik die zo vlug vast had, maar ik stond ermee klaar om uit te halen.
Gelukkig kwam op dat moment onze baas het huis binnengestapt en mengde zich in de onenigheid. Hij begon de officier uit te kafferen en vertelde hem dat bij niks, maar dan niks, over ons te zeggen had en dat de twee nieuwen bleven waar hij ze bevolen had. Ons officiertje verdween dan ook als een geslagen bond met zijn staart tussen de benen. In de ogen van de Duitsers waren de Italianen, na de overgaven van hun land, verraders en werden geminacht en gehaat als de pest.


Vliegende Forten en Jagers
Het gebeurde af en toe, dat er alarm gegeven werd, dan moesten we het werk stilleggen en gaan schuilen. Waar kunt ge dan beter kruipen dan tussen de struiken. Heel de baustelle lag in de heide en tussen de bossen, dus we moesten niet ver lopen. We lagen dan op onze rug naar de overtrekkende Amerikanen te kijken, want die kwamen overdag en de Engelsen 's nachts. Gehoord hadden we ze al een tijdje vroeger. Dat begon met een gegons in de verte, dat stilaan aanzwelde tot een zacht ritmisch gebrom en zwaarder en luider werd naar gelang ze dichter kwamen. Boven ons, begonnen we ze te tellen, een onbegonnen werk, ze vlogen met vijf of zes naast eikaar en dat duurde wel een kwartier, twintig minuten. Het was net een optocht, ze waren heer en meester in de lucht en hun wroem, wroem, wroem, wroem, stierf langzaam uit tot ze niet meer te zien en te horen waren.
We genoten ervan, want de vliegers waren bezig de Duitsers klein te krijgen en we waren zo ego?st, dat we niet dachten aan de mogelijke slachtoffers en de stukken, die ze zeker gingen maken.
Zoals ik zei, de Engelsen kwamen 's nachts, ze hadden dan ook minder verliezen dan de Amerikanen. De Britten waren zuinig op hun jongens, de Yanks namen het niet zo nauw, en namen nutteloze risico's,...volk genoeg?
Dus 's nachts de mannen van de King. We liepen dan naar een schuilkelder uitgegraven in de Falkenberg. Gewoonlijk vlogen de toestellen voorbij en kreeg Hamburg of een andere stad een veeg uit de pan. Neugraben was de moeite niet om aan te vallen, tot ze het toch eens vonden op de landkaart. Eens ze voorbij waren, stonden we voor de bunker naar de tientallen zoeklichten te kijken. Het was dan zo licht dat je gemakkelijk buiten een krant kon lezen. Ze zochten met hun stralen de hemel af en als ze een vliegtuig te pakken kregen, begon de Flak (luchtafweer geschut) met alle macht vuur en vlam te spuwen, dat horen en zien verging.
Het gebeurde dat de toestellen begeleid werden door Mustangs, dat waren de eerste jagers die een zo groot vliegbereik hadden en dus zo ver konden meekomen met de groten.
Een keer hoorden we een jager in duikvlucht, zijn gehuil zwol allengs aan tot het onderbroken werd door zijn boordgeschut en een zoeklicht stopte met over en weer zwaaien en bleef onbeweeglijk naar de lucht wij Zen. Hoogst waarschijnlijk is de bemanning van de schijnwerper toen gedood of op de vlucht gegaan.
Een hele tijd later werd plots het licht gedoofd. Er kwam op een nacht, we stonden weer voor de bunker te kijken, een brandend vliegtuig over, het was op weg naar huis. De vlammen waren in de pikdonkere nacht natuurlijk goed te zien. Traag vloog de vlieger richting Engeland, al de Flak in de buurt, en er stond heel wat, schoten zo veel ze konden. Volgens mij ging er een wagonlading munitie de lucht in. Tot opeens een flits en het licht was uit, door een granaat nog eens getroffen of door de brand aan boord ontploft.
Wie weet het, en wij stonden even stil mekaar aan te kijken.


Flak in werking

Blindgangers.
Op een vrije dag wilden we met een paar kamergenoten naar Hamburg gaan. Aan het station van Neugraben vertelde men ons dat het spoorverkeer onderbroken was omdat er na de vorige luchtaanval een paar blindgangers gevonden waren. Die moesten eerst onschadelijk gemaakt worden. Niet getreurd, dan gingen we maar te voet via Hansbruch naar Harburg, daar waren ook kino's. Over alles en nog wat babbelend waren we al een heel eind opgeschoten tot een politieman ons zei dat we uiterst links van de weg moesten gaan en zo snel mogelijk die paar huizen passeren. We hielden de rechterkant van de baan in 't oog en zagen een paar soldaten en politieke gevangenen of Joden in hun blauwgrijs gestreept pak over en weer lopen. Die waren bezig een bom te ontmantelen, plots stormden een paar gevangenen gevolgd door soldaten naar buiten, een zware slag, een ontploffing en een gedeelte van het buis stortte in. Het onschadelijk maken scheen niet gelukt te zijn. We zijn zonder om te zien gewoon door gelopen. Toen we een paar uur later terug naar het lager gingen reden de treinen weer, de blindgangers waren opgeruimd.

Metser en de modelwoning.
Ik moest een tijdje metsendiender spelen. Met een kruiwagen zand, cement en stenen aanvoeren in de heide is geen lolletje. Mortel maken was er natuurlijk ook bij, als die klaar was moest ik de kuipen van de metsers vullen. Ik maakte dus eerst de halve tonnen schoon, in plaats van de restjes gewoon op de grond te smijten, smeerde ik die in de gaten van de muur.
Kuhlmorgen, de baas van de metsers en aanhang, zag me bezig en vroeg of ik zin had om metser te worden. Grif stemde ik toe en 's anderendaags mocht ik bij hem, een emmer, een truweel, een hamer, een waterpas en een rolletje touw komen halen. Hij bracht me dan bij Lini, een Italiaan, die me op de hoogte moest brengen. Ik moest beginnen met een halfsteens muurtje van ongeveer twee meter. Na me de eerste handgrepen getoond te hebben, liet mijn leermeester me alleen verder doen. Een tijd later, mijn kunststuk (dacht ik) was 50 of 60 cm hoog, kwam Lini terug en zo fier als een pauw bezag ik hem en mij muurtje. Mijn leraar toonde me waar het fout was, welke stenen er niet perfect stonden, en zette dan zijn vijfenveertigen er tegen en ik kon opnieuw beginnen.Geloof me of niet, als mijn muurtje terug zo hoog was, zag ik zelf, dat het beter en rechter was dan de eerste keer? Is dat omverstampen gewoonte of is het een ritueel om beginners erop te wijzen dat het beter kan, in ieder geval het had geholpen.
Dat was het begin van een tijd, dat ik met plezier op de baustelle stond te werken. Naar buis gaan was er toch nog niet bij en metsen was beter dan als metserdiender met die kruiwagen, zand, cement en stenen aan te brengen, door dat mulle zand van de beide. Sommige gebouwen, winkel, caf?, het politiebureel worden met snelbouwstenen gemetst. Ik zette mee de hoeken op, onder het alziende oog van Lini natuurlijk, die af en toe mijn werk verbeterde. Dan kwamen er een paar Italianen bij om de muren af te maken en ons van mortel en stenen te voorzien. Aan de grote huizen stonden we vlug met 7 of 8 man te werken, buiten mij, allen krijgsgevangenen. Het waren eigenlijk militair ge?nterneerden, op hun uniform was van achter een grote M en I geschilderd. Als ik een sigaret opstak, was er altijd wel een Italiaan die me een teken gaf dat hij het stompeltje wel wou. Als ik zover was, ik rookte de sigaret niet helemaal op, gaf ik hem een seintje, schoot het peukje in zijn richting en hij ving het op in de vlucht. Het was een goede ploeg, het gebeurde soms dat ik begon te fluiten of te neuri?n en dan liefst 0 Sole mio, La Paloma of een ander Italiaans liedje en na een paar ogenblikken vielen de MI?s in en zongen mee uit volle borst.

Die zuiderlingen kunnen toch niet zwijgen als ze muziek horen. Kuhlmorgen, onze baas of polier in 't Duits zei me eens "Joep, dat is hier de enige ploeg op de baustelle, die staat te zingen. Op een dag werd er niet gezongen of gefloten toen hij langs kwam "het is hier zo stil" stelde hij vast, ik begon zachtjes te fluiten, ik geloof dat het 0 Sole Mio was, en ja hoor ze lieten me niet in de steek, ??n voor ??n vielen de gevangenen in en in een mum van tijd stond heel de ploeg te zingen of te fluiten. De baas bezag me schudde zijn hoofd eens, begon te lachten en ging verder.

In Hamburg had men op een open plaats, die waren er genoeg na de grote aanval, een aantal grondvesten klaargemaakt. De verschillende bouwfirma's moesten er op hun eigen manier een huisje komen bouwen, om na te gaan wat het goedkoopste was aan werkuren en materiaal? Ik moest op een morgen bij Kuhlmorgen komen en hij vroeg me of onze mensen zich daarvoor zouden inzetten. Ik bekeek hem, en zei als hij voor een extra rantsoen kon zorgen dat zeker zou gaan. Dat was volgens hem niet zo eenvoudig, waar moest hij dat brood vandaan halen. Ik stelde voor als hij nu eens van het bestuur der firma, een paar ge?nteresseerden voor die modelwoningen kon overtuigen om ook een duit (t.t.z. brood) in het zakje te doen, dan zou hij wel voor acht Italianen dat extra brood bij elkaar krijgen. Dat was de moeite om te proberen, vond hij, keek me aan krapte eens achter zijn oor en terwijl hij naar het bureel stapte zei hij "die Belgi?r". Een paar dagen later kwam hij me vertellen dat het in orde was, iedere man van ons ploeg zou een halve kilo brood krijgen, behalve ik natuurlijk, wij kregen in het lager genoeg te eten, volgens hem. Ik had inmiddels Lini op de hoogte gebracht en die wist me te vertellen, dat de mannen onder die voorwaarden er zouden invliegen. Eindelijk was het zover, met een vrachtwagen bracht men ons en ons gerief naar Hamburg. Het bouwmateriaal was reeds ter plaatse. Met zijn allen maakten we mortel en legde de snelbouwstenen klaar. Terwijl hadden Lini en ik reeds een paar hoeken opgezet, zelfs de baas had erbij geholpen. Afijn, om een lang verhaal kort te maken, de muren zag je zo de hoogte in rij zen. Tegen de middag zei ik tegen de polier: "de jongens krijgen dorst", van mezelf sprak ik niet, waarop hij antwoordde: "er staat toch een kan coco". Ik vroeg hem of dat bij de bouwvakkers de gewoonte was gekleurd water te drinken of die geen bier mochten, hij keek me aan zei "du schweinehund" maar schoot in zijn zak en gaf me geld om bier te halen.
De kan leeg gieten en achter de hoek naar een caf? gaan was zo gebeurd. Terwijl de waard de kan vulde, bestelde ik voor mij ook een pint natuurlijk. 't Was warm weer en de baas betaalde toch. De Italianen keken verbaasd toen Josepke hen bier te drinken gaf, maar ik vertelde, dat niet ik maar de baas trakteerde. Een eind na de middag kwam Kuhlmorgen terug bij me, en zei glunderend "Jozef we staan al een heel eind verder dan de andere ploegen, en gaf me geld om nog eens bier te halen en neem er zelf ook een voegde hij eraan toe. Om de rekening nu te doen kloppen, moest ik bij het wachten, ja goed geraden, twee pinten drinken. Dat was eigenlijk geen probleem.'t Was warm en die twee halve liters kon ik wel baas, 't was maar fluitjes bier en gezweet hadden we ook genoeg. We waren vanzelfsprekend met ons huis het eerste klaar, er kwamen een paar hoge pieten van de firma kijken en die knikten goedkeurend in onze richting. We hadden ons materiaal terug opgeborgen en Kuhlmorgen gaf me toen ik op de camion kroop, een doos met brood voor de mannen van onze ploeg. Zo fier als een gieter deelde ik het uit en het deed me goed, dat de jongens me zo dankbaar aankeken, ze wisten van Lini, dat ik er voor een deel tussen zat.

Lagerleven.
We waren niet alleen bedrijvig op de baustelle, met 14 jonge mannen op een kamer kunt ge U wel indenken dat het niet alle dagen rustig was, zelfs 's nachts niet. We moesten soms opstaan om te gaan plassen, met die witte, rode of raapkolen, was dat geen wonder.
Ik droeg een hele tijd gummilaarzen, omdat ik mijn voeten nogal eens stuk liep met die houtschoenen. Om mijn sokken te sparen, had ik van een verduisteringsdraperie (gepikt uit het bureeltje van Eklert) stukken gesneden om mijn voeten in te wikkelen. Nu stonden de botten naast mijn bed en de lappen lagen erop, op de laarzen, niet op mijn bed natuurlijk. Op een nacht was het weer eens zover, hoog water, ik sprong uit mijn bed recht in mijn stiefels, ik voelde dat er in ??n van de laarzen jets lag en dacht dat het een van die lappen was. Geen probleem, ik ging naar de wc en kroop half slapend terug tussen de dekens. Als ik 's morgens wakker werd bleef ik even op de rand van mijn bed zitten en keek naar mijn laarzen, zag ik toch die twee lappen op de grond liggen zeker. Met mijn slaperige kop dacht ik, wat lag er dan eigenlijk in dien bot?
Ik sprong op de grond, ik sliep in het bovenste bed, en stak mijn hand in de stiefel en voelde iets zacht, het leek wel een pelsje. Ik schrok dus niet omdat ik verwachtte wat te vind en, ik haalde het ding eruit, een muisje. Dan zag ik verschillende jongens in mijn richting kijken, dus die waren hoogst waarschijnlijk ontgoocheld omdat ik niet schrok of gilde. Ik bekeek het beestje even en slingerde het de kamer in, twee bedden verder zat Arie recht in zijn bed, was bezig zich lekker te rekken en te geeuwen. Hij legde zich nog even neer, en ging met zijn wang op het beestje liggen, de muis was per ongeluk, anders kan je dat niet noemen ik had niet gemikt, op zijn kopkussen terechtgekomen. Onze vriend schrok zich te pletter en begon te gillen als een stoomfluit, de rest van de kamer schaterden het uit van 't lachen. Arie wist eerst niet wat doen, zich kwaad maken of mee lachen en koos dan maar het laatste.


Jan troosten.
Jan een flink uit de kluiten gewassen Groninger, zijn familienaam herinner ik me niet meer, zat op een avond stil op zijn bed. We hadden gezien dat hij een brief had zitten lezen, was dat nu de oorzaak van zijn slecht humeur, hoogst waarschijnlijk wel, maar geen mens wist het zeker, de jongens hadden het natuurlijk allen gemerkt. Opeens stonden er een paar gasten recht en pakten Jan met een man of vier vast en legde hem op de tafel. Er kwamen een paar helpers bij en ze begonnen zijn broek uit te trekken. Verwonderd zat ik te kijken want dat had ik nog niet meegemaakt.
Jan was zeker 1m75 lang en woog minstens 85 kg en die kwam met zijn billen en de rest bloot op de tafel te liggen. Een kopkussen werd van zijn overtrek ontdaan en onder ons Jantje zijn poepke - hallo poepke, zeg maar kont geschoven, dan kwam er een pakje poeder tegen de zweetvoeten aan te pas, waarmee onze vriend bestrooid werd, zijn Jantje en toebehoren werden zogezegd getalkt. Terwijl ze met een man of zes bezig waren onze kleine (?) te behandelen stond de rest van de kamer te brullen van 't lachen natuurlijk. Eerst verzette Jan zich maar tegen vier gasten uit Groningen en Drente moest hij zich vanzelfsprekend gewonnen geven en koos ook de slimste oplossing en begon mee te lachen en baby te spelen, wat de pret nog verhoogde.
Hoofdzaak, de trieste bul van onze vriend was voorbij.

De straf.
?t Was ook de gewoonte, als er iemand zijn eetgerief ging afwassen nam hij de spullen van een of twee kamergenoten mee. Daar bestond geen vaste regel voor en we deden het om beurt. Na een tijd viel het ons op, dat er regelmatig wat verdween, lepel, vork of mes. Maar ja, waar gaat er nooit wat verloren. We begonnen er ten laatste eens over te pallaberen en kwamen tot de vaststelling dat het de laatste dagen de spuigaten uitliep. Misschien zijn onze spulletjes wel gestolen, stelde een jongen vast, de anderen begonnen te lachen, toch niet hier in onze kamer zeker. Om alle twijfel uit te sluiten, beslisten we om samen al de kasten en valiezen te controleren, er was er maar eentje die weigerde en ja hoor, de dader was gevonden. We begonnen dus eerst met zijn kast, hij wilde zich verzetten, maar tegen de rest van de kamer had hij natuurlijk niets in te brengen. Al onze lepels, vorken zelfs persoonlijke dinges als schaartjes of een zakmes, die we dachten verloren te hebben, al hetgeen verdwenen was de laatste tijd kwam tevoorschijn.Er was nog een rede ook. Thijs, zo heette de dief, zou een paar weken later in verlof gaan om te trouwen, en wou zo zijn uitzet vergroten zeker. We vonden dat hij moest gestraft worden, maar hoe?
Gaven we het door aan de lagerfuhrer, dan ging hij onherroepelijk naar een erziehunglager, een soort heropvoedingskamp, maar dan op zijn Duits, met de nodige afranselingen en stokslagen. Dat wilden we onze vriend (?) niet aan doen en besloten hem te negeren. Mensenlief is dat een straf, niemand maar dan ook geen mens sprak nog met hem. Als we aan de tafel zaten, en hij zette zich naast ons, dan schoven we van hem weg of gingen naast ons bed staan. Als hij zich bij ons voegde om samen naar het werk te gaan, bleven we staan wachten en hij kon alleen verder lopen. We merkten dat het voor hem een echte hel was, maar hij had het zelf gezocht.

Straflager.
Eens heb ik een jongen zijn verhaal horen doen over zijn verblijf in een erziehunglager. Ik woonde nog in Waltershof, 't was vlak na ons verblijf in Blummenthal. Toen ik naar de keuken ging om mijn eten te halen, stond me daar toch een rij aan te schuiven, dat zou te lang duren om te wachten en besloot eens naar de verpleegzaal te gaan, er lag een jongen van onze kamer. Terwijl ik aan het voeteind van zijn bed met hem stond te praten, hoor ik achter mij iemand Jef roepen. Ik draaide me om en keek naar de andere rij bedden, ik kende er niemand van. Dus verder gepraat, weer hoor ik mijn naam noemen, ik keek weer naar de overstaande bedden en zie iemand vragen, "kent ge me niet meer?" Ik bezag de jongen aandachtig en dan zag ik wie het was, zijn naam is me ontgaan maar ik herinner me nog dat hij ergens in de buurt van Beveren woonde. We gingen soms samen met de pont naar het werk, toen ik hem vroeg wat hij mankeerde, ontweek hij mijn vraag, dus liet ik hem hierover verder gerust. Ik babbelde nog wat met mijn kamergenoot en ging mijn prakkie en rantsoen brood halen. Enige tijd later liep ik een eind weg van het lager tijdens een luchtaanval, ik voelde me niet veilig in de kelder van dat oude gebouw, en ontmoette die jongen van de ziekenzaal die me geroepen had. Ik had hem toen niet herkend, omdat hij een heel pak was afgevallen, zijn bol boerenkopeke was veranderd in dat van een tbc.lijder, hij was nu weer een paar kilos zwaarder geworden.
We liepen samen een heel eind verder en nestelde ons op een schuit waarmee men het uit de Elbe gebaggerde slib vervoerde. We zaten dus tamelijk veilig, ik vroeg hem wat hij nu mankeerde toen hij in de infirmerie lag. Och, dat was met een omgeslagen voet vertelde hij me, toen vroeg Ik hem hoe dat gebeurd was en hij zweeg in alle talen. Nieuwsgierig als ik door dat zwijgen geworden was, drong ik aan. Met angst in zijn ogen keek hij me aan en ik moest beloven het nooit tegen iemand te vertellen en hij deed zijn biecht zo leek het wel.
Op een dag stond hij in Hamburg in de rij aan een cinema, hij had een dag blauw gemankt. Twee heren met hoed en lederen jas spraken hem aan, vroegen zijn ausweis en dan zijn urlaubshein, die had hij natuurlijk niet en ze namen hem mee. Ze reden een verbeteringslager binnen, stopten voor een bureel en zeiden hem dat hij moest maken dat hij zo vlug mogelijk binnen was. Hij liep dus van de auto naar de bureaus, opende de deur en toen hij wou binnen stappen, kreeg hij een vuistslag in zijn gezicht en lag terug buiten. Kunt ge niet kloppen was de boodschap, hij stond recht klopte op de deur en wachtte er werd geopend en wham, weer een vuist op zijn kaak. Kunt ge niet binnenkomen als ge geklopt hebt, was de tweede les. Hij had dus al op zijn donder gehad en was nog niet eens ingeschreven, het volgende staaltje van Duitse cultuur kreeg hij een paar weken later, hij was voor zes weken ingeschreven, dat ging zonder onderzoek of rechter.
De werkdagen moesten ze in de stad puin ruimen, maar 's zondags was het rustdag, dat hield in dat ze het lager niet uit moesten. Maar niets doen is het hoofdkussen van de duivel en daarom moesten ze balken van een paar meter lang, van de ene kant van het lager naar de andere kant brengen. Hij had met zijn maat een balk gestapeld en gingen terug om een andere te halen. Ze kwamen dus lotgenoten tegen die beladen waren, terwijl ze passeerden struikelde de achterste van de dragers en om te voorkomen dat de eerste die last op zijn hielen zou krijgen, ving hij de balk op en hielp die jongen dus. Dat was tegen de regels van het kamp, er werd door niemand wat gezegd en ze gingen dus verder met hun werk.
Na de arbeid. .. . appel, "ordnung muss sein", er werden twee gevangenen aangeduid om de springbok te halen. Die werd gebruikt om jongens te kastijden. Tot zijn grote verbazing hoorde mijn vriend zijn nummer roepen, hij moest over de bok gaan hangen, zijn handen werden met riemen vastgemaakt en hoorde dat hij twintig stokslagen tegoed had. Men maakte zonde van zijn broek want die werd omlaag getrokken, "gelukkig valt ge na een paar slagen bewusteloos en voel je niet veel meer" vertelde hij. Hij werd door zijn kamergenoten op zijn bed geholpen en terwijl ze hem verzorgden met natte doeken, probeerde men te achterhalen, wat de rede was geweest van dat pak slaag. De bewakers hadden wel gezegd hoeveel, maar niet waarom hij ze kreeg, na een poosje kwam men erachter dat het niets anders kon zijn dan, omdat hij de vallende jongen geholpen had. Een paar dagen later verstuikte hij zijn enkel bij het puin ruimen, na een poosje merkte men dat het tamelijk ernstig was en stuurde men hem terug naar Waltershof Hij kreeg de boodschap mee, als men er achter kwam dat hij tegen iemand wat verteld had over het erziehunglager, men hem zou vinden en hij voor een paar weken kon terugkomen. Ik heb hem dan ook om mijn eerstekommuniezieltje beloofd dat ik het nooit verder zou vertellen.

Lees meer Klik hier

Voor printvriendelijke versie klik hier printer friendly
Overzicht van artikelen in deze categorie

All pictures in our articles are low res and max 640 pixels
http://www.aeropedia.info
Bookmark and Share
Nu is het:
 
24u geleden
Was het gisteren
P.J.Horemans
Websites
Online naslagwerk over vliegtuigen

De luchtslag om Engeland in 1940

De aanval op Duitslands dammen

De Belgische Piloten bij de RAF

De Verdedigers van het Koninkrijk

Een maritieme website

Nederlandstalige informatie over gewapende conflicten

Nieuws.be

For Those Who Gave, That Others Might Live